LogoAdVanDerHelm

kaarsjes

Verkondiging 25e zondag door het jaar, 18 september 2016

Lezingen
Amos 8, 4-7
Psalm 113
1 Timotheüs 2, 1-8
Lucas 16, 1-13

Welkom
In zijn toespraken spreekt Jezus zijn leerlingen aan op hun daden. Zijn we betrouwbaar? Wijzen we naar anderen of steken we de hand in eigen boezem? In plaats van mopperen op anderen is het goed om na te denken, waar wij zelf het verschil kunnen maken en onze verantwoordelijkheid kunnen doen gelden.

Op Prinsjesdag is er komende dinsdag weer pracht en praal, maar ook zullen er weer woorden over de tafels vliegen tussen mensen die het beter weten dan de ander. Onze opstelling zou kunnen zijn dat we al deze woorden relativeren en ons er niet door laten meeslepen, maar onze eigen taken trouw vervullen. Laten het voortdurend onze daden zijn die we als een licht op de kandelaar zetten. Als mensen weten dat zij op mensen van de kerken kunnen bouwen, als wij daadwerkelijk een kerk van vrede en verzoening zijn, dan zullen de mensen van goede wil dat herkennen en de anderen zullen dan mondjesmaat wel volgen.

Ik heb dat samen met de Raad van kerken deze week aan Minister President Rutte uitgelegd. Hij staat daar zeker voor open. Maar velen hebben nog geen idee waar wij als kerken mee bezig zijn. Laten we met meer enthousiasme kerk zijn en dit in de samenleving uitdragen door de manier waarop we leven. Met betrouwbaarheid leggen we getuigenis af van ons doopsel, omdat daarin God ons zijn trouw belooft.

Homilie
Van de profeet Amos weten we dat hij een amateur-profeet is. Misschien zou je hem een vrijwilliger kunnen noemen omdat hij geen professionele profeet is en geen lid van de beroepsvereniging der profeten, van het profetengilde zoals hijzelf zegt. Aan de andere kant kun je hem geen echte vrijwilliger noemen, omdat de stem van God hem niet los liet en hem daadwerkelijk achter de ossen vandaan gehaald en uit de vijgenboomgaard geplukt heeft, om naar het volk te gaan. Natuurlijk heeft een mens een vrije wil en een vrije keuze, maar zodra een mens de roepstem verstaat als een stem van de Eeuwige, zal dat hem of haar niet meer loslaten.

Waarom heeft God die stap gezet om de profeet Amos te roepen en als het ware buiten de geijkte paden te gaan en buiten de vaste kring van profeten te zoeken? Bijzondere omstandigheden vragen om bijzondere stappen. De gewone profeten kunnen blijkbaar niet meer met de nodige kritische afstand naar Israël kijken. Het risico van zelfvoldaanheid ligt op de loer: dat we wel tevreden zijn met onszelf en dat we veronderstellen dat God wel blij met ons is. Amos levert met zijn frisse onafhankelijke positie nieuwe kritiek op het zelfgenoegzame volk en hij legt hogere standaarden aan. Hij is in die zin een mooie voorloper van Jezus zelf die ook aan de Farizeeën duidelijk wil maken, dat er meer nodig is om een geslaagd farizeeër te zijn, dan een diploma en een beroep. Ook Jezus is een buitenstaander: Hij komt niet uit de kring van de Farizeeën en Schriftgeleerden in Jeruzalem, maar uit het ondergewaardeerde Galilea. Net als Amos spreekt Jezus de mensen aan op hun geweten om dit aan te scherpen en niet te snel met jezelf tevreden te zijn. Het gaat niet zozeer om een oordeel van buiten, maar om een kritisch zelfonderzoek. Wijzen op anderen is gemakkelijk en anderen veroordelen is simpel, maar Jezus roept ons op tot zelfonderzoek, tot een blik op ons geweten.

God heeft de mens geschapen met een geweten: een orgaan dat niet in het lichaam aan te wijzen is, maar uit verschillende onderdelen bestaat. De ouderen onder ons zijn daar nog mee opgevoed. Het is nu een minder populair begrip.

Het geweten brengt het noodzakelijke evenwicht in de mens. Een mens heeft een hoofd en een hart. In het Oude Testament wordt trouwens ook van nieren en ingewanden gesproken als zetel van het gevoel en de ontroering. Het geweten houdt een mens in evenwicht om al deze aspecten bij elkaar te houden. Met ons verstand kunnen we veel problemen oplossen, maar hebben we hart voor de mensen die het betreft? Wie met zijn/haar geweten het leven onderzoekt, wil evenwicht brengen in zijn/haar leven. De rentmeester die ontslagen wordt, onderzoekt ook het evenwicht van zijn leven. Hij heeft geïnvesteerd in de cijfers, in het beheer van de gelden, maar wat heeft hij gedaan met het oog op de mensen met wie hij werkte? Natuurlijk moeten cijfers kloppen en moet er zorgvuldig beheer worden gedaan, maar er is meer dan alleen dit beheer. Er zijn ook de menselijke relaties. Soms kunnen de cijfers onredelijk zijn en schade toebrengen. Ik denk dat de lastige parabel van vandaag duidelijk wil maken, dat een mens vanuit het geweten een bredere blik moet hebben dan alleen financieel beheer van middelen: het gaat ook om de menselijke maat, en om de menselijke relaties. Naast je verstand moet je ook je hart laten spreken. Beide moeten aan bod komen.

Bovendien is er een ander evenwicht waar het geweten naar zoekt. Het is niet alleen het individuele belang dat telt, maar ook het collectieve. Iets kan voor onszelf goed zijn, maar nare gevolgen hebben voor de mensen om ons heen. Ons geweten roept ons op om dan voor de ander te kiezen. Een mens is in onze visie niet een eiland, maar een sociaal wezen. Zo zijn we geschapen, vanaf dag zes van de schepping. Het collectieve belang kan ons persoonlijke belang in de knel brengen. Toch kiezen we als leerlingen van Jezus voor datgene wat ons samen sterker maakt en waar de relaties met anderen door gedijen. De vraag is dan niet waar we zelf er voordeel mee kunnen behalen, maar waar onze gemeenschap van mensen, onze geloofsgemeenschap mee vooruit komt.

De wonderlijke parabel bevestigt het spreken van Amos: Jezus wijst ons op het belang van het evenwicht van hart en hoofd, van het individuele en het gezamenlijke. Als we langs die lijnen balanceren, kunnen we groeien in gerechtigheid, zoals God die bedoeld heeft.

Zoals paus Franciscus kunnen ook wij getuigenis afleggen van ons geloof door onze manier van leven, door de keuzes die we maken. Die worden niet zozeer bepaald door het voordeel dat we er zelf mee kunnen behalen, maar door de bijdrage die we aan de samenleving kunnen leveren. Daar schort het vaak aan: de mensen van de kerk die soms alleen bezorgd zijn om zichzelf en hun kerk, in plaats van het menselijke netwerk te onderhouden en zorg te hebben voor de kwetsbaren die ook buiten de kerk zijn. Tot dat gewetensonderzoek roept Jezus ons vandaag op. Moge de Geest ons inspireren om de nodige stappen te zetten. Amen

Verkondiging 26e zondag door het jaar, 25 september 2016

Lezingen
Amos 6, 1a.4-7
Psalm 145
1 Timotheüs 6, 11-16
Lucas 16, 19-31

Welkom
Vandaag vieren we vredeszondag. Op allerlei plaatsen in deze stad hebben activiteiten plaats gevonden rond de vrede. Vanmiddag een vredesfeest in het MOC in de Schilderswijk. Het wordt door de burgemeester afgesloten. Ook op grotere schaal hebben er activiteiten plaats gevonden, zoals de Walk of Peace, vorig jaar in Den Haag, dit jaar in Enschede. De paus was vorige week aanwezig bij het interreligieus gebed voor vrede in Assisi.

Ik hoop niet dat deze activiteiten aan uw aandacht ontsnapt zijn. Juist in deze tijd is het voor ons als katholieke christenen van levensbelang om te getuigen van ons geloof in de vrede. Anders lijken we op de man uit de parabel van vandaag die niet eens weet wie er op de drempel van zijn huis met overvloedige maaltijden ligt. Vandaag in deze eucharistie sluiten we ons bij het gebed om vrede aan.

Homilie
De parabel van de rijke vrek en de arme Lazarus gaat eigenlijk over afstand en nabijheid. En de paradox van het verhaal is dat de twee hoofdpersonen pas in contact met elkaar komen wanneer er een onoverbrugbare kloof ervaren wordt. Bovendien heeft de arme Lazarus, die we trouwens als herinnering bij iedere uitvaart bezingen in het In Paradisum, een woordvoerder gevonden in niemand minder dan Abraham zelf.

Op het moment dat de twee elkaar nabij zijn, is er geen contact. De rijke heeft voldoende aan zichzelf en is tevreden in zijn overvloedige wereld. Niemand die zijn vrede verstoort. Zijn vrede is echter een illusie. De honden hebben het wel door en zij naderen tot de arme Lazarus. De wereld van de rijke is echter niet groter dan zijn eigen tafel, en zijn eigen denken.

In Christus hebben we een verkondiger van de vrede. Hij laat in zijn eigen leven zien wat vrede betekent. Dat is dus niet aan een overvloedige tafel zitten. Jezus houdt geen verblijf in een of ander huis, of een klooster, of een woning, maar heel Israël is zijn thuis, tot aan het vijandige Jeruzalem. Vrede kan per definitie pas ontdekt worden wanneer je je eigen huis uittrekt en weet wat er in de wereld gebeurt. Anders is je ervaring van vrede een illusie, zelfbedrog. De rijke houdt zichzelf voor de gek dat de wereld wel oké is. Hij heeft zijn schaapjes op het droge. Voor hem is er wel vrede. Dat is niet de vrede die Jezus verkondigt. De vrede voor Jezus is ook het geweld onder ogen zien en erop af stappen. In de verkondiging van Jezus herinnert hij de luisteraars, onder wie de meest verstokten, die vervuld zijn van hun eigen gelijk, dat hun wereld te klein geworden is.

Hoe groot is onze wereld? Natuurlijk zijn wij in staat om nieuws te vergaren van over heel de wereld. De hele dag door als je wilt, kun je berichten ontvangen; dat is niet meer beperkt tot het acht uur journaal. Meestal is het geen prettig nieuws. Meestal worden we er machteloos en moedeloos van en sluiten we onze ogen en op zijn best, en dat is al heel wat, richten we ons in een dagelijks gebed om vrede tot God. Het maandelijks oecumenisch vredegebed voor de Parkstraatkerk op de eerste vrijdag van de maand, heeft iedere maand weer verschrikkelijke intenties om voor te bidden. Bent u eigenlijk al eens komen bidden? Als leerlingen van Jezus willen we onze ogen niet sluiten voor wat er gebeurt en willen we in ons gebed de slachtoffers omarmen als onze broeders en zusters.

In Assisi zeggen de leiders van de wereldgodsdiensten: “Vrede is de naam van God. Wie Gods naam inroept om geweld te rechtvaardigen, gaat zijn weg niet” Een duidelijke uitspraak die wij ons ook eigen mogen maken. Wij mogen ons als christenen ook realiseren dat dit de eerste woorden van Jezus zijn, na Pasen te midden van zijn leerlingen: Vrede zij met jullie. Daardoor beseffen we dat de ware vrede een Paasboodschap is en dat de ware vrede niet het product van onze handen is, maar een geschenk van God.

De opdracht tot vrede die we hebben is allereerst om onze wereld niet te sluiten en niet te klein te maken. De oplossing is niet om onze wereld zo klein te houden dat we niet verder hoeven te kijken dan onze eigen Westerse tafel van welvaart en overvloed. Het is geen christelijke oplossing om tegen de slechtoffers van de oorlog te zeggen: lossen jullie je eigen problemen maar op.

Als wij alle berichten van de wereld zien en dan menen een oordeel te kunnen vellen over alle mensen die we langs het scherm zien verschijnen, als wij menen vanuit onze eigen positie te kunnen zien wie de problemen veroorzaakt, dan maken we eigenlijk onze wereld net zo klein, zoals dat ook gebeurt met de rijke die vindt dat de arme Lazarus geen deel uit maakt van zijn wereld, want zoals in de tijd van Jezus vaak werd gedacht, en nu niet anders: hij zal het wel aan zichzelf te danken hebben. Nee: vrede verbindt. Het verlangen naar vrede geeft moed om tegenstellingen te overbruggen, geeft geduld om mensen te laten herstellen en op adem te laten komen. De inzet voor vrede begint in ons eigen geloof.

De eucharistieviering is iedere keer een getuigenis van vrede. In deze viering worden we met elkaar verbonden. Het is een teken voor de wereld om ons rond Brood en Wijn, Christus zelf, aan elkaar te hechten. De leiders van de wereldreligies zijn ons voorgegaan in hun gebed en getuigenis. Laten wij de voetsporen van Christus volgen en mensen met elkaar verbinden, om te beginnen door ons eigen gebed. Amen

Verkondiging 27e zondag door het jaar, 2 oktober 2016

Lezingen
Habakuk 1, 2-3; 2, 2-4
Psalm 95
2 Timotheüs 1, 6-8.13-14
Lucas 17, 5-10

Welkom
Welkom bij deze viering waarin we nadenken over de zin die een visioen kan hebben. De profeet krijgt als antwoord op zijn klacht - hoe herkenbaar is dat! – een reactie van God die hem een visioen geeft. Maar Hij zegt er niet bij wanneer dat visioen gerealiseerd wordt. Volgens ons komt dat natuurlijk altijd te laat, terwijl God zegt dat het altijd op de juiste tijd komt.

Het gevaar van een visioen is, dat het ons afwachtend maakt: God zal het wel voor elkaar boksen, maar dat is niet Gods bedoeling. De wereld is en blijft onze verantwoordelijkheid. Laten we onze ogen sluiten en ons een moment stil in bezinning afvragen of we ons werkelijk door het visioen van God laten voeden? Of dat we het aan ons voorbij laten gaan?

Homilie
Er zit een lastige tegenstelling in het verhaal van het evangelie vandaag. Enerzijds is een heel klein en beperkt geloof genoeg om bomen te verplaatsen. Dat zou mooi zijn: dan konden we zelf wat rustiger aan gaan doen.

Maar gelijk daarop vervolgt Jezus dat wij als zijn leerlingen knechten zijn die taken hebben te vervullen. Dat gaat niet gepaard met gebed maar met hartelijke dienstbaarheid en met grote onbaatzuchtige inzet voor anderen. Bovendien moeten we daar heel bescheiden over zijn: we zijn maar gewone knechten.

Geloof in wonderen ontslaat ons dus niet van daadwerkelijke inzet. Als christenen hebben we vaak het verwijt gekregen dat ons geloof in het hiernamaals ons nogal onverschillig maakt over de wereld van vandaag en nu: omdat we straks in Gods wereld echte gerechtigheid zullen ervaren, hoeven we daar nu niet aan te werken.

Dat is niet de functie van het visioen zoals Habakuk dat ontvangt. We begrijpen Habakuk heel goed in zijn klacht. Het is eigenlijk heel modern: we zouden zijn woorden zomaar in de mond kunnen nemen. Als we de huidige wereld in ogenschouw nemen, dan kunnen we de eerste regels van zijn tekst letterlijk overnemen. We kunnen ze ook in de mond leggen bij de mensen die in akelige omstandigheden verkeren, zoals in Aleppo om maar een van de meest bekende plaatsen te noemen, maar er zijn zoveel plekken in oorlog en onderdrukking.

Het geloof in het visioen heeft een andere betekenis dan dat op die manier de wereld veranderd wordt. We kunnen de hemel afspeuren naar bovennatuurlijke wonderen, maar dan is onze blikrichting verkeerd. Een belangrijke sleutel vind ik in de tweede lezing: de tweede brief aan Timotheüs. Paulus is gevangene, maar hij is geenszins hopeloos. Integendeel: hij verwijst naar de Geest die we van Christus en zijn evangelie hebben ontvangen: een Geest van kracht, liefde en bezonnenheid. Deze Geest is bron van een manier van leven. Het is geen Geest van vreesachtigheid.

Onze kerk is een kerk die zich actief in de wereld opstelt. Op het terrein van vrede, van missie, van zorg voor ouderen, zorg voor mensen. Dat vraagt solidariteit en gebed. Dat vraagt dat deze activiteiten door de kerkgemeenschap worden gedragen.

We kunnen niet aan de kant blijven staan, we kunnen niet van de zijlijn toekijken. Als wij deze eucharistie vieren, dan delen we het visioen. Dit is het visioen: één tafel waar we voldoende woorden ter bemoediging ontvangen, en waar we door God zelf gevoed worden, omdat Hij in Christus in ons midden is. Ook al zijn we oud en kwetsbaar: het visioen is jong en van alle dagen. Het visioen is ook voor vandaag en voor morgen. Het visioen is ook voor onze kinderen en kleinkinderen.

Deze week werden nieuwe cijfers over de kerk bekend gemaakt door het Sociaal Cultureel Planbureau. Naast de bekende afname van het aantal kerk betrokken mensen, klinkt er toch ook een ander geluid in door. Veel mensen zouden het betreuren als de kerken verdwenen omdat de samenleving er op achteruit zouden gaan. 40 % is van mening dat mensen in de knel er nog verder op achteruit zouden gaan als de kerken niet meer zouden helpen. Bovendien doet meer dan de helft van de bij de kerk betrokken mensen vrijwilligerswerk, terwijl dat in de rest van de samenleving veel minder is.

Dus de ons toevertrouwde schat is groot en er zijn wel mensen in de samenleving die dit ook zien. Maar het blijft natuurlijk roepen vanaf de zijlijn. Wij die midden op het speelveld staan, al is het door ons gebed en onze betrokkenheid en onze financiële steun aan kerk en haar organisaties, beseffen dat we alleen vooruit kunnen komen als we ons laten voeden door het visioen van Gods wereld, die God beloofd heeft. Als wij het visioen vergeten, dan is de wereld overgeleverd aan cynisme en aan onmenselijkheid. Dat laten we ons niet gebeuren en blijven dus maar als bescheiden en dienstbare knechten aan deze wereld werken. Voor deze wereld bidden we en we blijven samenkomen om te getuigen van het visioen: allen mogen van Gods voedsel ontvangen en dan zal het leven hun deel zijn. Amen