LogoAdVanDerHelm

kaarsjes

Verkondiging Hemelvaart, 26 mei 2022

Lezingen
Handelingen 1, 1-11
Psalm 47
Hebreeën 9, 24-28; 10, 19-23
Lucas 24, 46-53

Welkom
Welkom bij deze viering van het afscheid dat geen afscheid is. De blik van de leerlingen is op de hemel gericht, maar zij worden gecorrigeerd door de twee getuigen: zij wijzen hen op de wereld als hun werkterrein. Als zij de Heer weer willen ontmoeten, dienen zij hun blik te richten op deze wereld. Want daar toont Jezus zijn aanwezigheid: in de kleinen en de kwetsbaren en de uitgestotenen is de Heer aanwezig. De leerlingen en in hun voetspoor de kerken ontdekken dit door hun diaconale werk, hun caritas: het is de dienstbaarheid en de liefdadigheid die de kerk doet groeien. Beseffen we onze opdracht, dat dit het werkterrein is dat de Heer ons nalaat? Zijn erfenis is een opdracht. Ook vandaag bezinnen we op onze persoonlijke invulling van die opdracht.

Homilie
Broeders en zusters, vrienden van de Heer,
Het zijn twee opvallende verschijningen in dit verhaal: het verhaal over de twee mannen in het wit in de Handelingen van de Apostelen, dat de Hemelvaart van Jezus vertelt. Zij zijn de sleutelfiguren in het verhaal dat de betekenis van dit afscheid verheldert. Zoals ik al zei in het welkomstwoord: dit afscheid is niet een afscheid, maar een mogelijkheid tot een nieuwe kennismaking. Wie zijn die twee? Zijn het engelen uit de hemel? Zijn het Mozes en Elia die zich wel vaker zich op de berg in de nabijheid van Jezus hebben laten zien?

De leerlingen hebben Jezus leren kennen in de drie jaar dat zij met hem door Galilea en Judea naar Jeruzalem trokken. Hij was het centrum van hun leven. Zij waren voortdurend op Hem gefocust, voortdurend gericht op zijn woorden en zijn handelen. De leerlingen komen er niet altijd goed vanaf in het evangelie: kleingelovige wankelmoedige leerlingen die op het moment suprême bijna allemaal afwezig zijn. Zij krijgen nu de immense opdracht om de wereld als hun werkterrein te beschouwen. Wonderlijk vertrouwen dat de Heer in hen heeft gesteld. Waarom denkt Hij dat deze opdracht in goede handen zou zijn van deze onzekere lieden?

We hebben gezien hoe Petrus en Paulus in de handelingen van de apostelen daadwerkelijk die ommekeer gestalte gaven. Zij zijn er zelf ook verbaasd over: hun woorden en daden in de naam van de verrezen Heer hebben een enorme uitwerking op mensen. Het is ook voor henzelf een ontdekkingstocht. Zij ervaren de Geest van Jezus als de drijvende kracht van hun leven. Alsof het niet uit henzelf komt, maar uit een bron die groter is dan zij zelf, een bron die ook niet zomaar weer opdroogt. Deze leerlingen zijn dus niet achter de geraniums blijven zitten mijmeren over de goede oude tijd met Jezus. Zij hebben daadwerkelijk de omslag gemaakt naar een nieuw bestaan: verkondigers van Jezus' Blijde Boodschap voor alle mensen. Pinksteren, dat we komende week vieren, is daar het beginpunt van.

De witte wachters zijn vandaag de aankondigers van die omslag: het kernpunt van het leven van de leerlingen is niet meer buiten hen gelegen, maar is bij hen zelf ingedaald. Het Evangelie draait om Jezus, maar in de Handelingen gaat het om de leerlingen zelf. Het is geen ánder verhaal, maar het tweede deel van een tweeluik. Het blijft het ene verhaal van God die naar mensen toekomt: eerst in Jezus en vervolgens in de leerlingen die door de Geest gedreven worden. Als zaad dat in de aarde is gezaaid, zijn de woorden van Jezus bij de leerlingen ingezaaid om ooit tot volle wasdom te komen. Maar daartoe moeten de leerlingen wel in gesprek met de wereld. Het woord in henzelf moet in de confrontatie met de wereld gaan groeien en tot wasdom komen.

Mooie woorden als gerechtigheid en vrede, woorden als solidariteit en verdraagzaamheid worden concreet in de relatie met mensen die onrecht lijden en die de oorlog ontvluchten, ze worden concreet in onze relatie met mensen die minder kansen en ruimte hebben dan wij en in de omgang met mensen die er een ander leven en andere gelovige overtuigingen op na houden dan wij.

Wij kunnen zelf ook de witte wachters zijn. Ook wij kunnen de mensen om ons heen wijzen op de concrete opdracht die we hebben om onze eigen wereld als ons werkterrein te zien. We zijn de boodschappers die voortdurend vragen aan mensen om zich niet te verschuilen achter mooie woorden of dure levensovertuigingen of politieke standpunten, maar hun te vragen: wat heb je voor de minste der zijnen gedaan? Heb je Hem herkend in de wereld waarin je leeft? Of denk je nog steeds dat Hij slechts naar de hemel is gegaan en zich daar verborgen houdt voor ons en dat wij simpelweg kunnen wachten tot Hij terugkeert?

Hij is al teruggekeerd en Hij wacht op een uitgestoken hand. Een hand van troost, een hand van hulp, een hand die draagt en bemoedigt. Hij verlangt handen die zegenen. Dat laatste gebaar van Jezus in het Lucas evangelie is immers een nalatenschap: kunnen wij elkaar zegenen? Kunnen wij anderen zegenen? Kunnen we hun de daadwerkelijke liefde betonen die de Heer ons heeft nagelaten? Dat is onze opdracht. Niets meer en niet minder. Amen