LogoAdVanDerHelm

kaarsjes

Verkondiging 29 augustus 2021, twee en twintigste zondag door het jaar

Lezingen
Deuteronomium 4, 1-2.6-8
Psalm 15
Jacobus 1, 17-18.21b-22.27
Marcus 7, 1-8.14-15.21-23

Welkom
Welkom op deze ochtend om de eucharistie te vieren en de weg naar ons innerlijk te gaan. Jezus is vandaag veeleisend: hij kent de binnenkant van de mens. Hij ziet daar van alles dat niet klopt. Een negatief beeld van de mens wordt door Hem geschetst: is de mens dan werkelijk zo slecht? We zijn het niet gewend zulke rechttoe rechtaan kritiek te incasseren. We worden door de eucharistie uitgenodigd om ons te laten genezen door Gods Woord en Gods aanwezigheid in Christus. Hij doorbreekt onze duisternis met Licht van de eeuwigheid, met licht van Pasen. Bezinnen wij ons op ons leven en op het evenwicht tussen ons verlangen naar het goede en ons vermogen dit goede ook te doen.

Homilie
Broeders en zusters, vrienden van de Heer,
Wanneer we in de eucharistie uitgenodigd worden om het evangelie te beluisteren, kunnen we het klassieke gebaar maken dat de liturgie ons aanreikt: we maken met onze duim een klein kruisje op ons voorhoofd, onze lippen en ons hart. In stilte zeggen we daarbij: “moge Gods woord in mijn hoofd zijn, op mijn lippen en in mijn hart.” Daarin uiten we ons verlangen om open te staan om dit Woord, dat van God komt, te ontvangen. We bidden met dit kleine gebaar dat het Woord daadwerkelijk bij ons binnenkomt, ons raakt en transformeert tot leerlingen van Christus, het Levende Woord. Het is niet een gebaar dat alleen de priester of de diaken maakt: het is een gebaar voor alle gelovigen. Dus als u het nog niet gewend bent, kunt u dat voortaan ook doen. Het laat zien dat iedere gelovige, gewijd, religieus of eenvoudigweg parochiaan, door dit Woord geleid wordt. Het is een Woord dat wij allen ontvangen als kompas, als richtlijn.

Woorden verbinden mensen met elkaar. De woorden die we met elkaar delen, creëren een band tussen mensen. Dat zijn woorden van trouw of liefde, woorden van opvoeding, woorden van waardering, maar ook woorden van oprechte kritiek. Als het serieuze woorden zijn, dan bewaren we deze woorden in ons hart. Ze nemen ons mee op onze levensweg. Deze woorden verrijken en voeden de relaties tussen mensen. Zo blijkt uit de woorden van Mozes dat ook de relatie van Israël met God ook door woorden gevoed wordt. De woorden wijzen de weg naar het beloofde land, ze wijzen de weg naar de eenheid van het volk, ze helpen Mozes om het volk wijs en verstandig te laten zijn. Maar het zijn wel woorden die Mozes ontvangt van de Eeuwige zelf. Dat Mozes de hoge berg Sinaï moet beklimmen om daar Gods geboden te ontvangen, laat zien dat deze woorden niet door de mens zelf verzonnen zijn, maar aan de mens geschonken worden vanuit Gods aanwezigheid.

God, van wie de Naam is “Ik ben er”, “Ik ben het zijn zelf” spreekt vanuit zijn aanwezigheid tot de mensen die zich verzameld hebben aan de voet van de berg. “Voorschriften en geboden” worden deze woorden genoemd. Maar dit is eigenlijk een vertaling die te smal is: alsof onze relatie met Gods slechts door het gehoorzamen aan geboden wordt bepaald. “Inzettingen en rechtsregels” is een andere vertaling die meer ruimte geeft. Want ons geloof is niet een soort moralisme, een instrument om de mens onder de duim te houden. De woorden van God hebben een dieper doel. Ze willen bij de mens de ruimte creëren voor Gods aanwezigheid. Zo is het tussen mensen ook: wanneer we ons woorden van een ander herinneren, dan komt er weer ruimte voor die ander in ons innerlijk. Dat kan een vriend ver weg zijn, een overleden partner, of overleden ouders. Maar ook woorden die ooit tot ons gezegd zijn en ons zijn bijgebleven omdat we ze inspirerend vonden. Her-inneren: weer opnieuw in je innerlijk aanwezig roepen. Herinnering is een wonderlijke en rijke kracht van mensen: zoals Augustinus het noemt: de herinnering is de onmetelijke innerlijke schatkamer van de mens. Zo is het met de Woorden van God: als we ons die Woorden her-inneren woont Hij in ons. Daarom gaat het mis met de woorden die Jezus aanhaalt, die voorschriften van de Farizeeën en Schriftgeleerden: dat zijn geen woorden van God meer, maar woorden van mensen. Die woorden creëren geen innerlijke ruimte, maar slechts een uiterlijke last: dit en dat moet je doen, anders ben je geen gelovige.

Jezus wijst erop dat de gave van het Leven centraal staat: ieder woord dat van God komt is bedoeld om dat leven te koesteren en te voeden. We mogen dus kritisch zijn op woorden die mensen ons voorhouden. Zijn dat woorden ten leven? Of zijn dat woorden die mensen kleineren? Dat kan niet de boodschap zijn. In onze Katholieke Kerk onderzoeken we voortdurend onze tradities en voorschriften: ook die zijn bedoeld ten leven, anders passen ze niet in het evangelie. Die toetssteen gebruikt paus Franciscus voortdurend. Jacobus wijst er in zijn brief tot slot op dat er nog een andere toetssteen is voor dat Woord: ons handelen. Brengt het ons in beweging? Inspireert het ons tot barmhartigheid en zachtmoedigheid? Mogen we Gods wijsheid ontvangen om aan de hand van zijn Levende Woord, Christus zelf, ons leven te onderzoeken. Amen.