LogoAdVanDerHelm

kaarsjes

Verkondiging vierentwintigste zondag door het jaar, 13 september 2020

Lezingen
Wijsheid Jezus Sirach 27, 30- 28, 7
Psalm 103
Romeinen 14, 9
Mattheüs 18, 21-35

Welkom
Welkom in deze viering van vrede en verzoening: even op adem komen in een harde wereld, waar boosheid en verontwaardiging vaak de toon zetten. Boosheid die vaak gedemonstreerd wordt en voor het voetlicht van de media gebracht, opdat zoveel mogelijk mensen daarin meegenomen worden. Boosheid krijgt meer aandacht dan tevredenheid. Logisch en terecht, want boosheid vraagt om maatregelen.

Toch opent het evangelie een andere weg: boosheid moet ergens toe leiden: tot verbetering en verzoening, tot nieuwe vrede. Het is van voorbijgaande aard, geen permanente toestand. We leven volgens een cyclus: boosheid kan gebeuren, maar het doel is verzoening en vrede. In de eucharistie maken we ruimte voor vrede in verzoening en proberen we onze eigen boosheid te temperen of in balans te brengen met een gebed om vergeving.

Homilie
Broeders en zusters, vrienden van de Heer,
Velen van u weten dat ik graag psalmen bid en beluister. De geloofsleerlingen, maar ook andere parochianen weten dat ik er bij gesprekken een psalm bij pak om datgene wat besproken is, weerspiegeld te zien in een psalm. Ze zijn niet altijd gemakkelijk te lezen en er zijn lastige teksten bij, maar ook prachtige waarmee we ons eigen geloofsleven kunnen voeden. In de psalmen is een mens aan het woord die net als wij in de turbulentie van het leven, het vertrouwen in de Eeuwige probeert vast te houden. Dat is geen sinecure, niet eenvoudig. Psalmen bieden geen antwoord, maar ze kunnen ons meenemen in een ontwikkeling om onze relatie met God weer opnieuw onder woorden te brengen, bij eenzaamheid of dankbaarheid, bij verlatenheid en duister of bij ontroering door de schoonheid van de natuur: ze brengen dat allemaal onder woorden.

Een probleem bij de psalmen vormen echter de zogenaamde vloekpsalmen (109, slot van 137). Het zijn de verzen waar de psalmist als het ware uit zijn slof schiet om uiting te geven aan zijn boosheid. Kunnen we deze psalmen nog wel lezen en gebruiken voor het gebed of voor de liturgie? In de kerk kun je die woorden toch niet gebruiken? Ze lijken haaks te staan op de boodschap van het evangelie. Sommigen pleiten om ze tussen haken te zetten, anderen bepleiten een zorgvuldige lezing van die moeilijke verzen, maar wie goed leest, beseft hoe nauw ze met het evangelie verbonden zijn. In de Wijsheid van Jezus Sirach wordt beschreven dat het ieder mens kan overkomen om wrok en gramschap te ervaren. Het laatste deel van hoofdstuk 27 beschrijft wat de mensen elkaar aan kunnen doen: begrijpelijk dat een mens dan boos wordt en wraak wil nemen. Toch heb je een keus: blijf je die woede vasthouden en blijf je die koesteren? Of kun je daar afstand van nemen? De vloekpsalmen helpen ons om die boosheid niet te bagatelliseren, of onder het tafelkleed te schuiven, maar volop te erkennen. Vervolgens biedt de Wijsheid van Jezus Sirach een andere afslag: in plaats van op de hoofdweg van de kwaadheid en boosheid te blijven, kunnen we de afslag van de vergeving nemen. Op dat spoor gaat Christus verder. Vorige week bood hij een proces van verzoening, deze week wil hij ons het besef bijbrengen van het grootse dat we van God ontvangen hebben.

In de parabel van Jezus lezen we dat niet de boosheid en de hardheid veroordeeld worden, maar dat die de basis worden van handelen. De keuze van de dienaar om zijn mededienaar aan te vallen vanwege de bescheiden schuld die hij heeft, terwijl hij zelf net een grote som krijgt kwijtgescholden, wordt door Jezus veroordeeld als een weg ten dode. Wie zijn handelen laat bepalen door die wrok, laat de afslag van het leven links liggen. De parabel van Jezus is aan ons gericht: Hij wil ons herinneren aan hetgeen we in het leven ontvangen hebben. Gaan we daar niet aan voorbij? Beseffen we niet dat we dit goede kunnen delen, ook al gaat dat tegen de stroom van de algemene opinie in?

Gisteren hebben we in onze kerk de eerste heilige communie gevierd met acht kinderen: we hebben gevierd dat we voortdurend door God gevoed worden. Het ene brood en de ene beker vertellen ons dat er één bron is, en één mensengemeenschap die uit die gave is voortgekomen. Wat hebben we gedaan met die gaven ten leven? De parabel maakt ons bewust van die bron en probeert onze blik te veranderen en ons niet op de boosheid in ons hart te richten – hoe begrijpelijk die soms ook kan zijn, indachtig de vloekpsalmen – maar om die blik weer te richten op de bron van goedheid, God zelf. Als we in onze omgang met elkaar die blik vasthouden, zal die nieuwe weg ingeslagen kunnen worden. Dan kunnen we één gemeenschap zijn die zelf ook getuigt van de vrijgevigheid en de vergevingsgezindheid van God. Dat geldt onze kerk en onze kerkleiders, maar evenzeer onszelf, de gewone gelovigen van vandaag, een nieuwe houding waarin we Gods gaven meedragen in ons hart. Amen