LogoAdVanDerHelm

kaarsjes

Verkondiging drie├źntwintigste zondag door het jaar, 6 september 2020

Lezingen
Ezechiël 33, 7-9
Psalm 95
Romeinen 13, 8-10
Mattheüs 18, 15-20

Welkom
We horen in het evangelie dat ook in een gemeenschap van welwillende mensen de dreiging bestaat dat mensen tegen elkaar opstaan. Dat merken we nu ook in onze samenleving: mensen zijn geïrriteerd en protesteren en demonstreren. Als mensen van de kerk zoeken we een andere weg, die wordt getekend door ons geloof in de opstanding, in de uitweg voor de mensheid. Een weg waar blijkt dat grenzen en onmogelijkheden andere deuren en ramen openen. Kunnen we voor elkaar een helpende wachter zijn zoals de profeet Ezechiël wordt opgedragen vandaag? We hebben ons verzameld rond de tafel van Christus en bij de vredewens kijken we elkaar in de ogen: dat kan zelfs op afstand nog intenser dan gewoonlijk en we beseffen dat we elkaar geschonken zijn om elkaars wachter ofwel hoeder te zijn.

Homilie
Broeders en zusters, vrienden van de Heer,
Wanneer bent u voor het laatst in de dierentuin geweest? Misschien bent u de panda’s gaan bekijken in Ouwenhand, of houdt u meer van safari-achtige parken, of de onderwatertunnel van Blijdorp? Iedere dierensoort heeft een eigen vorm van opsluiting, soms met meer, soms met minder ruimte. Soms kun je goed contact krijgen met de dieren, andere dieren zijn luier en blijven op afstand en soms moet je ze zoeken.

De ontwikkelingen in dierentuinen staat niet stil: de ruimtes die er nu zijn, zijn niet meer de hokken van vroeger. Wanneer we beelden van oude dierentuinen zien, vinden we het schokkend hoe weinig ruimte de dieren toen hadden. We vinden dat ‘onmenselijk’ zeggen we. Als we dit mensen niet zouden aandoen, kunnen we dat ook dieren niet aandoen. Ik zou eerder zeggen dat we met die oudere vormen van opsluiten geen eerbied betonen aan de schoonheid van Gods schepping. We eren die schepping niet door dieren als aparte verschijnselen in hokken te presenteren. De schepping is één geheel. Je kunt die niet in hokken opsluiten. Het doel is niet om dieren zogenaamd menselijk te behandelen, maar om de hun verschuldigde eerbied. Het gaat vandaag echter niet om de dierentuin, maar om na te denken hoe we elkaars wachter kunnen zijn.

De lezingen houden ons voor dat die taak ook in onze tijd niet voorbij is. Jezus raadt ons aan om elkaar aan te spreken op ons gedrag. We hebben daar in de Tweede Kamer deze week een voorbeeld van gezien. Gelukkig was daar ook ruimte voor vergeving. Maar het wachter zijn voor elkaar heeft ook zijn ontwikkeling in onze geschiedenis. Velen kennen de kerk van vroeger als machtig en streng instituut. De pastoor was het verlengstuk van de paus en van je ouders en ze hielden de kinderen streng in de gaten. Er was geen ontkomen aan. Het wachter zijn was eenrichtingsverkeer. De morele en ethische onderwijzing van de kerk was het onderwijzen en leren gericht op het aansturen van de kerkgemeenschap met heldere voorschriften die aan het evangelie en de traditie ontleend werden. Is dat nog wel van deze tijd? We zijn gehecht aan onze vrijheid en kunnen het niet goed hebben als we grenzen krijgen opgelegd door anderen. Bijna zes maanden van corona-beperkingen duren mensen bijna te lang. Daar willen velen van af. We horen hen met luide stem. In het evangelie horen we echter hoezeer het wachter zijn een zorgvuldig proces is, dat noodzakelijk is voor een gemeenschap van mensen. Jezus beschrijft het als een eerlijk gesprek waarin de zorgen en de kritiek worden gedeeld, een gesprek met ruimte om te reageren. Soms leidt dit tot verbetering en komt er verbetering. Soms lukt dat niet en moet de wachter een stap verder.

Het wachter zijn is in ontwikkeling. In de samenleving is er ook behoefte om op een juiste manier elkaars wachter te zijn. We hebben daar juridische en politieke instrumenten voor, maar in de eerste plaats gaat het om de relatie tussen mensen, om de manier waarop wij mensen zelf met elkaar omgaan. We vallen niet terug op oude instrumenten en praktijken om elkaar de weg te lezen, maar houden elkaar wel de weg voor om eensgezind te blijven. Dat is geen kadaverdiscipline, maar we willen voorkomen dat door onenigheid de gemeenschap uit elkaar valt.

Wanneer Jezus ons voorhoudt dat het samenzijn van mensen een belangrijke voorwaarde is om de aanwezigheid van de Heer te ervaren, beseffen we het ons doel is om elkaar vast te houden. Het doel van kritiek en elkaars wachter zijn is uiteindelijk eenheid en niet om de ander neer te sabelen of te veroordelen en buiten te sluiten. Waar twee of drie bijeen zijn in mijn naam… dat betekent een verantwoordelijkheid om aan eensgezindheid te blijven bouwen. Het doel van het wachter zijn is, zoals bij Ezechiël, dat we elkaar de weg wijzen van het leven en niet van de dood. Maar de tijd moet voorbij zijn dat we bij het leveren van kritiek meer bezig zijn om de ander in een hok te duwen en monddood te maken. Dat zou betekenen dat degene die kritiek uit, slechts zijn eigen vrijheid verdedigt ten koste van de ander. Kritiek moet juist de gemeenschap opbouwen in plaats van afbreken.

Het evenwicht tussen ieders ruimte en vrijheid moet gewaarborgd worden, dat hoort bij een mensengemeenschap en zeker bij een geloofsgemeenschap. De samenleving is geen dierentuin waarbij we elkaar in hokjes van de juiste moraal stoppen, maar is een ruimte waar we samenleven en de wereld delen. Soms wijzen we elkaar terecht, in het besef dat we de eensgezindheid niet willen verliezen, omdat we daarmee ook het zicht op Gods Liefde zouden kunnen verliezen. Amen.