LogoAdVanDerHelm

kaarsjes

Verkondiging twee├źntwintigste zondag door het jaar, 30 augustus 2020

Lezingen
Jeremia 20, 7-9
Psalm 63
Romeinen 12, 1-2
Mattheüs 16, 21-27

Welkom
Welkom bij de keerzijde van het verhaal van vorige week. Was Petrus toen de gevierde leerling die geïnspireerd door de H. Geest een juist getuigenis van de identiteit van Christus gaf, nu is hij degene die afgewezen wordt. Hij snapt de consequentie van zijn belijdenis niet. Soms moet je de confrontatie aan met het kwaad in de wereld, ook al weet je niet of je daartegen op kunt.

Jeremia helpt ons bij het zoeken naar onze drijfveer. Ook hij heeft het zwaar, maar in zijn hart voelt hij de liefdevolle roepstem van God die hem voortdrijft. Waarin verstaan wij de roepstem van God? Hoe houden wij het vol om in een onrustige wereld de vreugde van het evangelie uit te dragen? Is niet alles kommer en kwel? Gaat de wereld niet ten onder aan geweld? Wat kunnen wij daartegenover stellen? Misschien moeten we niet de strijd aangaan, maar vanuit vreugde en de liefde spreken en de taal van geweld en hardheid weigeren.

Homilie
Broeders en zusters, vrienden van de Heer,
Profeten zijn niet geliefd. Dat interesseert de ware profeet nauwelijks, omdat hij/zij voor de waarheid gaat. Gehoor geven aan de roeping van God is belangrijker dan maatschappelijk aanzien of politiek succes. Toch lezen we regelmatig over profeten die ten onder dreigen te gaan onder de lasten van hun taak. We kennen Elia die in de woestijn wil sterven. Hij voelt zich eenzaam en verlaten en meent dat zijn taak mislukt is. We weten van Jona die chagrijnig is, als zijn profetie zo succesvol is, dat God zijn dreiging niet uit laat komen en het volk van Ninevé redt: “heb ik me daarvoor uitgesloofd?” Het profetenambt brengt veel worsteling met zich mee en geeft niet automatisch zekerheid over het effect van je opdracht en je verkondiging. Menselijke twijfel is de profeten niet vreemd.

Vandaag is de profetische worsteling weer iets anders: het woord dat de profeet wordt ingegeven is groter dan hijzelf. Het is niet de profeet die zelf de inhoud van zijn boodschap bepaalt. De profeet is er niet blij mee dat zijn boodschap voortdurend negatief is. Vooral Jeremia zelf is zijn gejeremieer volkomen zat. Maar als hij probeert te zwijgen, als hij probeert onder zijn opdracht uit te komen, lukt dat niet. Zijn drijfveer is te krachtig, deze heeft een bron die groter is hij dan hijzelf. Ondanks zijn harde boodschap, beschrijft hij deze kracht van God als een liefdevolle kracht, als een verleiding. Daarmee wordt duidelijk wat later in de christelijke spiritualiteit aangeduid wordt als de liefde die de bron is van de roeping van de christen. Dat herinnert ons aan het fundament van ons christen-zijn: de liefde die we in ons eigen hart ervaren, helpt ons om aan God te blijven denken. Het is ook het enig juiste antwoord als iemand ons vraagt: “waarom ben je christen, waarom blijf je bij de Kerk betrokken?” “Dat is omdat ik diep mijn hart de liefde van God ervaar die als een roepstem mij aanzet om die liefde door te geven, om zelf ook instrument van die liefde te zijn!”

Het is voor Jeremia een hartverscheurende ervaring: zo’n grote liefde in je hart ervaren en dan toch een strenge boodschap moeten brengen. Is dat niet dezelfde spanning zoals ouders die ervaren wanneer zij een geliefd kind straf moeten geven? Hoe kun je zowel straffen als liefdevol blijven? Is dat niet ook de pijn van de vader van de verloren zoon? Kun je een liefdevolle vader zijn en het verkwisten van het familievermogen door de jongste zoon zomaar door de vingers zien? Dat doe je niet zonder pijn in je hart. De vader wil ook zijn oudste zoon geen onrecht aandoen. Die vergelijking is niet zo verwonderlijk omdat de relatie tussen God en zijn volk wordt begrepen als die van een vader met zijn kind (of volgens psalm 131 als die van een moeder met haar kind). Ook die relatie wordt voortdurend heen en weer geslingerd tussen liefdevolle vergeving en toch pedagogisch straffen. De profeet kent die liefde en voelt als het ware in zijn eigen hart de pijn van God die ziet hoe zijn volk afzakt naar een goddeloos of mensonwaardig niveau. Het is ook de pijn van Christus: Hij is het gelaat van de liefdevolle God en maakt ons duidelijk dat het ware beeld van God tederheid, liefde en vergevingsgezindheid is. Maar hij wordt geconfronteerd met de hardheid van de mens, het kruis dat het afschrikwekkende beeld is van onverdraagzaamheid, van machtsmisbruik, van corruptie. Al het kwaad van de mensheid wordt samengebald in dat kruis, symbool van het kwaad.

Maar laten we in de aanblik van dat kruis niet vergeten dat de stem in ons hart die van de liefde is, die van de tederheid. Ik moet hierbij sterk denken aan het motto van de Tent of Nations in de buurt van Bethlehem, waar een Lutherse boer overeind probeert te blijven tegen de Israëlische bezetting die regelmatig zeer gewelddadig en wreed kan zijn. Zijn motto is dat hij weigert om zich tot vijand te laten maken. Ook als hij hard en onderdrukkend bejegend wordt, beantwoordt hij dat met vriendschap en vrede. Omdat ‘vrede’ het eerste woord van Christus is. De verleiding is groot om het spel van geweld en haat mee te spelen, maar dan vergeet je de aard van de roepstem van God die een stem van liefdevolle verleiding is.

Die stem willen we gehoor geven, die stem willen we geluid geven, die stem willen we zichtbaar maken. Het kruis is het christelijk symbool maar we hebben het getransformeerd tot een teken van liefde, het is niet meer afschrikwekkend of duister, maar een teken van licht en liefde. Het is onze opdracht om dat te blijven verkondigen. Diezelfde transformatie geldt onszelf: zoals het kruis van een afschrikwekkend symbool van geweld geworden is tot een teken van liefde, kunnen ook wij in plaats van gedomineerd te worden door boosheid en geweld, ons laten transformeren tot een instrument van Gods liefde. Amen.