LogoAdVanDerHelm

kaarsjes

Verkondiging 24 november 2019, Christus Koning

Lezingen
2 Samuël 5, 1-3
Psalm 121
Kolossenzen 1, 12-20
Lucas 23, 35-43

Welkom
Deze laatste zondag van het kerkelijk jaar brengt ons bij de paradox van Christus’ koningschap. Zijn meest glorieuze moment is zijn kruisdood. Hij werkte daar zijn hele leven naartoe. Dat is het moment van ontknoping. Dat is het moment van openbaring. Daar wordt de dienaar zichtbaar die Jesaja in zijn profetieën beschreven heeft: de lijdende dienaar is degene die de gelaatstrekken van de Eeuwige toont. In zijn ontluistering en zijn lijden die Hem in de ogen van de wereld de meest onaantrekkelijke persoon maken, komt God de mensheid nabij, juist daar waar de mens geconfronteerd wordt met de uiterste onmenselijkheid. Durven wij ons gezicht te wenden tot de lijdende mensen, of wijzen wij die af en achten wij die onwaardig?

Homilie
Broeders en zusters, vrienden van Jezus,
Vandaag vieren we de apotheose van het kerkelijk jaar. In de kruisdood van Jezus wordt de bedoeling van het leven van Jezus getoond. In de confrontatie met de grootste onmenselijkheid toont Christus zijn liefde voor de mensen. Dat wordt concreet in de scène van Maria en Johannes die elkaar geschonken worden. Het gebeurt evenzeer in de scène van vandaag: de goede moordenaar ontvangt van de stervende Jezus vergeving en perspectief op het Paradijs. Het contrast met de eerste moordenaar is groot: deze blijft Jezus bespotten terwijl zij toch alle drie de dood in de ogen zien. Er is tussen hem en Jezus en de andere moordenaar geen sprake van lotsverbondenheid of solidariteit of onderlinge bemoediging: ieder voor zich.

Het koningschap van Christus wordt niet zomaar door iedereen herkend. De macht van Christus is geen overmacht, geen dominantie die ons het zwijgen oplegt, maar het is een uitnodiging die een antwoord vraagt. Zo reageert de goede moordenaar op de aanblik van de stervende Jezus: “Heer, denk aan mij wanneer u in uw koninkrijk bent.” Hij vraagt nergens om. In de gedachten van Christus zijn is hem genoeg.

Deze zondag die wij als katholieke gemeenschap vieren als afsluiting van het jaar, is een groot ‘Amen’ op het hele kerkelijk jaar. We hebben alle vieringen gehad van Kerstmis tot Pasen en Pinksteren. We hebben de feesten gevierd van de Moeder Gods, die haar Zoon dicht bij ons gebracht heeft en nog steeds ons gebed bij haar Zoon wil brengen. We hebben de vieringen meegemaakt van de heiligen die in hun leven de nabijheid van Christus en de liefde van de Vader hebben ontvangen en in zijn Geest geleefd hebben. We hebben persoonlijke hoogtepunten en waarschijnlijk ook dieptepunten meegemaakt waarbij we Gods nabijheid inriepen. Het feest van Christus Koning is een groot ‘Amen’ op die gehele jaarcyclus die volgende week weer opnieuw begint met een klein kaarsje op een groene krans.

Het woord ‘Amen’ is een zeer onderschat woord in onze liturgie. Het is een klein Hebreeuws restje in onze liturgie. Het komt ongeveer vijftien keer voor in de eucharistieviering en het is daarom niet verwonderlijk dat het wel eens overgeslagen wordt. U weet dat ik eraan hecht dat het ook daadwerkelijk uitgesproken wordt. Het is niet zozeer een check om te horen of u er nog een beetje bij bent en de liturgie nog steeds een gezamenlijk gebed is, maar het ‘Amen’ is telkens weer een gelegenheid om de bevestiging van het geloof uit te spreken, want dat is de kern van het ‘Amen’. Het is een geloofsbelijdenis in het klein. Deze volgt op de drie centrale gebeden die de voorganger uitspreekt aan het begin en het einde van de liturgie en bij de offerande wanneer de gaven namens de mensen aan God aangeboden worden. Telkens zet het ‘Amen’ van de gelovigen in de kerk de woorden van de priester kracht bij. Op twee plekken heeft het ‘Amen’ een nog wezenlijker functie waarbij u echt niet mag zwijgen. Dat is het ‘Amen’ na het eucharistisch gebed en het ‘Amen’ bij de uitreiking van de communie.

Het eucharistische gebed is opgebouwd volgens de Drie-eenheid. Ter afsluiting wordt de instemming van de gelovigen gevraagd bij het tonen van het geconsacreerde Brood en de Wijn. In het eucharistische gebed wordt God de Vader gedankt voor de grote weldaden in ons leven en in het bijzonder voor het leven en het sterven van zijn Zoon die opgestaan is, ook om ons de gaven van zijn aanwezigheid in de eucharistie te geven. We vragen de Vader zijn heilige Geest te zenden die de gaven van brood en wijn heiligt en vervult van de aanwezigheid van God de Zoon en ons transformeert tot het Lichaam van Christus op aarde, tot de Kerk van Christus, die getuigenis aflegt van het evangelie in deze wereld.

Aan het einde van dit gebed volgt de grote doxologie waarin de Drie-eenheid bezongen wordt – “Door Hem en met Hem in Hem”. Het ‘Amen’ dat daarop volgt is de instemming met het hele eucharistisch gebed. Het is als ware de voorwaarde om in de communio met de Drie-ene God te staan en daarom ook een voorwaarde om de communie te ontvangen. Het tweede onmisbare ‘Amen’ is bij de uitreiking van de communie, wanneer iedere gelovige individueel wordt aangesproken met “Lichaam van Christus” indachtig het woord van Augustinus: ontvang wat je zelf ook bent door doopsel en vormsel en laat dat nu door de communie vernieuwen. Het ‘Amen’ dat dan klinkt, is de persoonlijke belijdenis als antwoord op de uitnodigende liefde van God. Wanneer we ‘Amen’ zeggen, belijden we dat we net als de goede moordenaar Christus herkennen als de Zoon van God en de weg naar het Leven. Mogen wij in deze viering en alle vieringen steeds met overtuiging ons ‘Amen’ uitspreken, naar Christus en naar elkaar in onze geloofsgemeenschap. Amen