LogoAdVanDerHelm

kaarsjes

Verkondiging zevende zondag van Pasen, 2 juni 2019

Lezingen
Handelingen 7, 55-60
Psalm 97
Openbaring van Johannes 22, 12-14.16-17.20
Johannes 17, 20-26

Welkom
Welkom op deze zondagochtend. De verlatenheid van de leerlingen na Pasen, de onzekerheid van christenen in deze tijd, de crisis in onze kerk: het zijn elementen waar de leerlingen, die nog in afwachting zijn van de Geest, ook al door geteisterd worden. Zij kruipen bij elkaar in de bovenzaal. De woorden van Jezus klinken nog in hun hart: ”blijf in de stad!” De stad is voor hen eigenlijk niet groter dan de bovenzaal, de ruimte waar ze met Jezus het laatst aan tafel waren. De wereld daarbuiten bestaat voor hen eigenlijk niet. Ze hebben daar geen oog voor. Wij lopen datzelfde risico wanneer we denken dat we ons door de viering met elkaar kunnen afsluiten voor de wereld. We mogen ons laten bemoedigen door het besef dat deze bovenzaal, deze kerk, zich transformeert van een schuilplaats tot een springplank, een vertrekhal, een inspiratiebron die ons beweging brengt. Laten we ons openstellen voor de komst van de Geest die ons en onze kerk zal vernieuwen.

Homilie
Polarisatie lijkt onze samenleving in haar greep te houden. Gelukkig was dit bij de laatste verkiezingen in ons land wat minder, maar in andere landen deden de extremisten het goed, een versnipperd landschap dat verdere eenwording niet echt vooruit zal helpen. Het lijkt soms of polarisatie dapper en stoer is, terwijl compromissen saai en slap zijn.

De eerste lezing en het evangelie van vandaag laten echter zien waar dat toe kan leiden. In de eerste lezing wordt Stefanus het eerste slachtoffer van extreme standpunten: de oren van de aanvallers worden toegestopt en keiharde stenen worden gegooid. Treffende symboliek voor een wereld die opleeft van extreme ongenuanceerde standpunten, waar met de waarheid een loopje genomen wordt, een wereld die zich afsluit voor harmoniserende en constructieve stemmen, een wereld waarin men elkaar te lijf gaat met verharde standpunten.

Het evangelie daarentegen bevat de oproep van Jezus tot eenheid en verbondenheid, gelijkgestemdheid en vrede. Het is een gedeelte van de afscheidsrede die eerder een reflectie is van de eerste christengemeente op de nalatenschap van Jezus dan een woordelijk verslag van de laatste bijeenkomst van Jezus met zijn leerlingen. In deze evangelische reflectie spreekt de Geest van Christus tot ons, die ons noopt om onze samenleving, maar ook onze kerk te beoordelen in het licht van deze nalatenschap. Weerspiegelen onze kerk en onze samenleving deze woorden van Jezus voldoende? Deze vraag dienen kerkleiders van alle kerken zich voortdurend te stellen, maar alle gedoopten worden evenzeer uitgedaagd om diezelfde vraag te beantwoorden: op welke manier leveren we een bijdrage aan de eenheid en de verbondenheid, ook wanneer we zelf iets moeten inleveren?

Het fundament van de christelijke gemeenschap is gelegen in de eenheid van God die zijn Zoon Jezus Christus en zijn Geest gezonden heeft om de mensheid tot eenheid te brengen. Een eenheid die in de schepping al was besloten en die voortdurend onder druk staat omdat de verscheidenheid vaak tot verdeeldheid leidt. In de schepping brengt God onderscheid: licht en donker, water en land, aarde en hemel, vissen, vogels, dieren en mensen. Die grote verscheidenheid verbreekt de eenheid niet, maar maakt van de eenheid een dynamisch gebeuren. Het verhaal van Babel mag een oud mythisch verhaal zijn, maar het onthult een fundamenteel probleem van de mensheid: een verscheidenheid die zo groot is, dat de mensen elkaar niet meer verstaan. Het moge duidelijk zijn dat we in een gepolariseerde wereld leven die een grote behoefte aan samenbindende krachten heeft. Deze situatie wordt in het moderne spraakgebruik met zachte en onschadelijke woorden als tolerantie en respect aangeduid. Dit zijn woorden die ik volstrekt ontoereikend vind om een menselijke samenleving op te bouwen. Het zijn immers woorden die vaak voorkomen zonder daadwerkelijk persoonlijk commitment, een vrijblijvende houding zonder inspanning.

De eenheid waar Christus van spreekt, waar Hij voor bidt, is een eenheid waarbij de ene mens zich voor zijn/haar identiteit afhankelijk van de ander maakt. De eenheid van Christus is niet een ruimte om zelf te doen wat je wilt, waarbij de ander je in niets in de weg zit. Die oproep zit besloten in het kleine woordje dat we in de tweede lezing horen: “Kom”. Dat woord herinnert aan de oproep van Jezus aan Petrus wanneer het stormachtig is op het water. Petrus wil naar Jezus toe en Jezus nodigt hem uit: Kom! Het zou toch mooi zijn als onze kerk geassocieerd wordt met dit ene woord ‘Kom’. Dat de kerk staat voor een uitnodiging aan mensen om te komen, tot God en tot elkaar, opdat dat mensen zich genodigd weten tot het leven, genodigd om gelukkig te zijn, dat de kerk aan iedereen die uitnodiging kan laten weten. Natuurlijk, er zijn momenten dat er serieus gesproken moet worden omdat gedrag niet in overeenstemming met het evangelie is. Broederlijke en zusterlijke vermaning is ook nodig, maar op het fundament van het woord ‘Kom’. Het zou toch mooi zijn wanneer mensen ons aanspreken op het feit dat we nog naar de kerk gaan, dat we dan kunnen zeggen: bij ons gaat het om het woord ‘Kom’, om een uitnodigende kerk.

We bidden ook ‘Kom’ tot de heilige Geest. We vragen hem om in ons leven te komen en ons leven te vervullen van het evangelie. Moge dat woord ‘Kom’ in ons hart klinken en het fundament onder ons geloven zijn. Amen