LogoAdVanDerHelm

kaarsjes

Verkondiging 8 december 2019, tweede zondag van de advent

Lezingen
Jesaja 11, 1-10
Psalm 72
Romeinen 15, 4-9
Mattheüs 3, 1-12

Welkom
Goedemorgen
Vandaag neemt de liturgie ons mee de woestijn in. Wij worden hier geconfronteerd met een antiheld, die zich tegelijk als een echte leider ontpopt: Johannes de Doper. Hij is de wegbereider van de ware koning. Johannes leert ons te letten op de tekenen waaraan we de ware koning kunnen herkennen. Tussen de vele stemmen van mensen die een publiek ambt bekleden moeten we zoeken naar signalen die echt leiderschap onderscheiden van prietpraat en blufgedrag. Integriteit, onbaatzuchtigheid, visie en dienstbaarheid zijn waarden die Johannes hoog houdt.

We ervaren onze samenleving soms als een woestijn waar echt leiderschap met nog geen kaarslicht en zelfs geen schijnwerper valt te ontdekken, We blijven in deze advent verlangen en zoeken naar authenticiteit, oprecht leiderschap. Mensen laten hun ware aard zien als ze blijken te profiteren van allerlei voordelen. “Het was me niet opgevallen” wordt als excuus gebruikt. Mea culpa komt er niet uit. Christus naar wie wij uitzien, zal ons een spiegel voorhouden van echt leiderschap. Mogen wij door die spiegel gevoed worden en zelf groeien in onze eigen overtuigingen en eerlijke keuzes, geworteld in de boodschap van Johannes, die op het evangelie gebaseerd is.

Homilie
Broeders en zusters, vrienden van Jezus,
De details van het evangelie vandaag brengen ons in de woestijn. Ook als de woestijn dichtbij is, zoals in Israël, is het geen vanzelfsprekende tocht. Wie gaat er nu de woestijn in? Waarom zou je dat willen? Het volk was toch de woestijn ontvlucht? De herinnering aan veertig jaar woestijn zit diep in het geheugen geprint en als je weer de woestijn opzoekt, betekent dat eigenlijk: terug bij af! Alles wat het volk de afgelopen eeuwen heeft geleerd en meegemaakt, staat in het geheugen van Israël gegrift. Een geschiedenis van succesvol, maar ook van falend leiderschap, de grote rechters die vanaf Jozua met vallen en opstaan moesten leren dat ze vanuit geloof leiding moesten geven en niet met een legerovermacht. Denk aan Gideon, daarna de grote koningen David en Salomo: zij weken regelmatig af van het rechte pad in overspel en afgoderij. Vervolgens is er een lange reeks van koningen van wie slechts een enkeling blijk gaf van geloof en vertrouwen in de ware God. Nu is het volk opnieuw in een crisis. Het is een machtscrisis en een identiteitscrisis. Gaan we mee op de weg van de Romeinen en hun cultuur of blijven we stijfkoppig en eigenzinnig trouw aan onze traditie? Is er een uitweg uit het dilemma?

Welke mensen komen er trouwens bij Johannes? Blijkbaar zijn er veel Farizeeën en schriftgeleerden die bij hem komen. Wat zoeken ze bij hem? Wat zoeken zij in de woestijn? Ik vermoed dat zij Johannes aan een soort inquisitie willen onderwerpen. Is hij echt een profeet? In plaats daarvan liggen zij zelf onder het vergrootglas van de profetische woorden van deze profeet Johannes, die de brug slaat van het Oude naar het Nieuwe Testament: zij krijgen publiekelijk een spiegel voorgehouden: adderengebroed. Een heerlijk woord, vind u niet? Johannes heeft een hoger doel dan alleen maar de Farizeeën de mond te snoeren. Hij heeft een nieuwe boodschap. Of beter gezegd: hij geeft de oude profetische boodschap een nieuwe stem. De manier waarop Johannes spreekt, brengt de mensen tot zichzelf. We kunnen vol van boosheid en onvrede zijn over anderen, maar de opdracht is om zelf rechte wegen te gaan. De opdracht is om vruchten voort te brengen en tarwe te zijn. We hebben de roeping om voedsel voor de samenleving te zijn.

Er blijkt veel kaf in onze wereld te zitten. Met verontwaardiging daarover kunnen we energie verliezen, maar elders zegt Jezus: schudt het maar als stof van je voeten. Het kaf van de wereld zal weggeblazen worden en in vergetelheid raken. Slechts de mensen die als tarwe, als voedsel voor anderen zijn, worden bewaard en gekoesterd. Mensen met visie, mensen die anderen weten mee te nemen op de weg van de woestijn naar het beloofde land. Ook onze wereld verkeert in een crisis van leiderschap. Wie moeten we volgen? Welke visie houden zij ons voor, welke integriteit zien we bij hen? Je zou er moedeloos en, zoals velen, cynisch en boos van worden.

Als kerkgemeenschap hebben we een opdracht om een ander geluid te laten horen en een ander voorbeeld te geven. Paulus geeft ons in zijn brief aan de Romeinen een signaal van eensgezindheid. Dat klinkt mooi, maar eensgezindheid kan pas groeien wanneer we elkaar aanvaarden, wanneer we verschillen weten te accepteren en te integreren. Om elkaar te aanvaarden als leden van één gemeenschap, vieren we eucharistie en delen we het ene brood. Zoals de verschillende kaarsen op de adventskrans uiteindelijk één cirkel vormen, vormen wij samen als mensen van verschillende achtergronden, nationaliteiten, rassen en talen ook één kring van de vrienden van Jezus, de vrienden van het evangelie. We houden die eenheid vast rondom paus Franciscus, die de stem van het evangelie laat horen en in daden zichtbaar maakt. Ook wij maken die eenheid zichtbaar in dit samenkomen en het samen vieren. Hier is geen woestijn, hier staat de woestijn al in bloei. De groene takken op de krans zijn daar het teken van. Dat vertrouwen helpt ons voort te gaan op de weg naar Kerstmis, de weg naar de ontmoeting met het Kerstkind, met God zelf die in onze wereld komt, Immanuel. Amen

Verkondiging 1 december 2019, eerste zondag van de advent

Lezingen
Jesaja 2, 1-5
Psalm 122
Romeinen 13, 11-14
Mattheüs 24, 37-44

Welkom
Welkom op de eerste zondag van de advent. Gisteren wees een bevriende predikante me op het mooie idee dat vandaag in talloze kerken wereldwijd een enkel kaarsje op een groene krans wordt aangestoken bij de start van de advent: talloze tekenen van hoop en van een nieuw begin. Een nieuw begin maak je als je vertrouwen hebt in de toekomst. We kijken niet naar de duisternis, maar het licht wijst ons de komende weken de weg en brengt ons bij de ontmoeting met het Licht van de wereld. Het is maar een klein kaarsje in de duisternis van de wereld. Het verandert misschien niet de wereld, maar het helpt óns wel anders naar de wereld te kijken en anders te handelen. Laten we opnieuw het lichtje ontvangen, opdat het licht van Christus de wereld kan verlichten.

Homilie
Broeders en zusters, vrienden van Jezus,
Wachten op een trein doe ik niet graag. Ik kom het liefst aan op het station en rijd meteen weg. U kunt zich voorstellen hoe naar ik het vind als ik net een trein mis, die ik nog het station uit zie rijden. Ik denk dan: wat had ik sneller kunnen doen om iets eerder op het station te komen? Hoe had ik die trein nog kunnen halen? Ik kan me maar moeilijk overgeven aan vertraging en gemiste treinen. Het risico is er dat we de advent vergelijken met het wachten op een bus of trein die komen zal. Dan wordt de advent een saaie tijd waarin niets gebeurt, een tussentijd, een pauze. Terwijl de donkere feestmaand december vol van cadeaufeesten is, lijkt advent op leegte. Geduld is dan het advies dat we kunnen geven. Onthaasting is daarbij de beste houding. Heb vertrouwen, want een nieuwe bus of trein komt er vast wel aan. De dienstregeling geeft vastigheid en zekerheid. Liturgie wordt dan een dienstregeling. Één, twee, drie, vier kaarsjes, en dan kunnen de kerstboom en de kerststal neergezet worden. Toch is de advent niet een stil en passief afwachten tot Kerstmis aanbreekt. Het is geen pauzetijd of lege tijd. Want zo’n leegte vraagt, roept, ja dwingt mensen tot compensatie gedrag, tot opvullen van de leegte. Je zou die leegte makkelijk kunnen vullen met het bevredigen van behoeften. Daar staat december ook bol van. Alles wat we willen hebben, kunnen we kopen. Via internet 24/7 of in winkels die ons verleiden met Black Friday tot inhalig koopgedrag. De beelden zijn bekend; we maken ze vaker mee bij bijzondere aanbiedingen: drommen mensen voor de deur en gedrang om daar de eerste te zijn.

Ons antwoord met de advent is niet simpelweg wachten op Kerstmis, wachten op de komst van Hem die ons redden zal. Dat is te passief. Dat is te weinig profetisch. Advent is een tijd van persoonlijke groei. Het is een tijd waarin we onszelf de ruimte geven om te groeien. Het licht op de groene krans is symbool, teken, ik zou bijna zeggen sacrament van onze eigen groei. Die groei leidt uiteindelijk tot onze eigen wedergeboorte. Met Kerstmis worden we zelf opnieuw geboren als mensen van licht. Die groei van de advent komt door bezinning en perspectief, door herinnering en toekomst. We willen stil staan bij de vraag waar we vandaan komen. Wat is onze weg tot hiertoe? En die bezinning leidt tot het perspectief op wat we willen en kunnen bereiken. Dat is een persoonlijke vraag: wat wil ik de komende fase van mijn leven gaan doen, of volgend jaar? Het is ook een maatschappelijke vraag: waar liggen de verworvenheden van onze samenleving en wat zijn de bouwstenen van de toekomst? U bent het zelf, die antwoord op de eerste vraag kan geven. Over de tweede vraag zou ik nog heel lang kunnen spreken, maar in navolging van onze paus zou ik kortweg willen zeggen: laten we van onze samenleving geen markt maken, laten we van de mens niet een ordinaire consument maken. We spreken in de advent de taal van licht. Waar duisternis heerst, spreken we een woord van licht, waar wanhoop heerst, spreken we van geloof, waar haat en rancune heersen, steken we een hand van verzoening uit. Dát is de betekenis van het ene kaarsje van vandaag. Het is geen machteloos gebaar van vrome romantici, maar een profetisch gebaar dat zegt dat de duisternis die we zien en ervaren niet onze wereld is en niet onze werkelijkheid. We gaan niet mee met de verleiding om de duisternis op te vullen met commercie en neplichtjes, maar we geven een antwoord door licht te brengen, het licht uit te dragen, door zelf ook licht te zijn. Om in deze weken zwanger van Christus te zijn, dragen we zijn woord met ons mee, tonen we zijn gezicht aan de wereld. We wapenen ons, zoals Paulus zegt, met licht. Dat licht is vandaag ontstoken. Van dat licht mogen wij leven. In dat licht zullen we leven. Dat licht ís ons leven. Amen

Verkondiging 24 november 2019, Christus Koning

Lezingen
2 Samuël 5, 1-3
Psalm 121
Kolossenzen 1, 12-20
Lucas 23, 35-43

Welkom
Deze laatste zondag van het kerkelijk jaar brengt ons bij de paradox van Christus’ koningschap. Zijn meest glorieuze moment is zijn kruisdood. Hij werkte daar zijn hele leven naartoe. Dat is het moment van ontknoping. Dat is het moment van openbaring. Daar wordt de dienaar zichtbaar die Jesaja in zijn profetieën beschreven heeft: de lijdende dienaar is degene die de gelaatstrekken van de Eeuwige toont. In zijn ontluistering en zijn lijden die Hem in de ogen van de wereld de meest onaantrekkelijke persoon maken, komt God de mensheid nabij, juist daar waar de mens geconfronteerd wordt met de uiterste onmenselijkheid. Durven wij ons gezicht te wenden tot de lijdende mensen, of wijzen wij die af en achten wij die onwaardig?

Homilie
Broeders en zusters, vrienden van Jezus,
Vandaag vieren we de apotheose van het kerkelijk jaar. In de kruisdood van Jezus wordt de bedoeling van het leven van Jezus getoond. In de confrontatie met de grootste onmenselijkheid toont Christus zijn liefde voor de mensen. Dat wordt concreet in de scène van Maria en Johannes die elkaar geschonken worden. Het gebeurt evenzeer in de scène van vandaag: de goede moordenaar ontvangt van de stervende Jezus vergeving en perspectief op het Paradijs. Het contrast met de eerste moordenaar is groot: deze blijft Jezus bespotten terwijl zij toch alle drie de dood in de ogen zien. Er is tussen hem en Jezus en de andere moordenaar geen sprake van lotsverbondenheid of solidariteit of onderlinge bemoediging: ieder voor zich.

Het koningschap van Christus wordt niet zomaar door iedereen herkend. De macht van Christus is geen overmacht, geen dominantie die ons het zwijgen oplegt, maar het is een uitnodiging die een antwoord vraagt. Zo reageert de goede moordenaar op de aanblik van de stervende Jezus: “Heer, denk aan mij wanneer u in uw koninkrijk bent.” Hij vraagt nergens om. In de gedachten van Christus zijn is hem genoeg.

Deze zondag die wij als katholieke gemeenschap vieren als afsluiting van het jaar, is een groot ‘Amen’ op het hele kerkelijk jaar. We hebben alle vieringen gehad van Kerstmis tot Pasen en Pinksteren. We hebben de feesten gevierd van de Moeder Gods, die haar Zoon dicht bij ons gebracht heeft en nog steeds ons gebed bij haar Zoon wil brengen. We hebben de vieringen meegemaakt van de heiligen die in hun leven de nabijheid van Christus en de liefde van de Vader hebben ontvangen en in zijn Geest geleefd hebben. We hebben persoonlijke hoogtepunten en waarschijnlijk ook dieptepunten meegemaakt waarbij we Gods nabijheid inriepen. Het feest van Christus Koning is een groot ‘Amen’ op die gehele jaarcyclus die volgende week weer opnieuw begint met een klein kaarsje op een groene krans.

Het woord ‘Amen’ is een zeer onderschat woord in onze liturgie. Het is een klein Hebreeuws restje in onze liturgie. Het komt ongeveer vijftien keer voor in de eucharistieviering en het is daarom niet verwonderlijk dat het wel eens overgeslagen wordt. U weet dat ik eraan hecht dat het ook daadwerkelijk uitgesproken wordt. Het is niet zozeer een check om te horen of u er nog een beetje bij bent en de liturgie nog steeds een gezamenlijk gebed is, maar het ‘Amen’ is telkens weer een gelegenheid om de bevestiging van het geloof uit te spreken, want dat is de kern van het ‘Amen’. Het is een geloofsbelijdenis in het klein. Deze volgt op de drie centrale gebeden die de voorganger uitspreekt aan het begin en het einde van de liturgie en bij de offerande wanneer de gaven namens de mensen aan God aangeboden worden. Telkens zet het ‘Amen’ van de gelovigen in de kerk de woorden van de priester kracht bij. Op twee plekken heeft het ‘Amen’ een nog wezenlijker functie waarbij u echt niet mag zwijgen. Dat is het ‘Amen’ na het eucharistisch gebed en het ‘Amen’ bij de uitreiking van de communie.

Het eucharistische gebed is opgebouwd volgens de Drie-eenheid. Ter afsluiting wordt de instemming van de gelovigen gevraagd bij het tonen van het geconsacreerde Brood en de Wijn. In het eucharistische gebed wordt God de Vader gedankt voor de grote weldaden in ons leven en in het bijzonder voor het leven en het sterven van zijn Zoon die opgestaan is, ook om ons de gaven van zijn aanwezigheid in de eucharistie te geven. We vragen de Vader zijn heilige Geest te zenden die de gaven van brood en wijn heiligt en vervult van de aanwezigheid van God de Zoon en ons transformeert tot het Lichaam van Christus op aarde, tot de Kerk van Christus, die getuigenis aflegt van het evangelie in deze wereld.

Aan het einde van dit gebed volgt de grote doxologie waarin de Drie-eenheid bezongen wordt – “Door Hem en met Hem in Hem”. Het ‘Amen’ dat daarop volgt is de instemming met het hele eucharistisch gebed. Het is als ware de voorwaarde om in de communio met de Drie-ene God te staan en daarom ook een voorwaarde om de communie te ontvangen. Het tweede onmisbare ‘Amen’ is bij de uitreiking van de communie, wanneer iedere gelovige individueel wordt aangesproken met “Lichaam van Christus” indachtig het woord van Augustinus: ontvang wat je zelf ook bent door doopsel en vormsel en laat dat nu door de communie vernieuwen. Het ‘Amen’ dat dan klinkt, is de persoonlijke belijdenis als antwoord op de uitnodigende liefde van God. Wanneer we ‘Amen’ zeggen, belijden we dat we net als de goede moordenaar Christus herkennen als de Zoon van God en de weg naar het Leven. Mogen wij in deze viering en alle vieringen steeds met overtuiging ons ‘Amen’ uitspreken, naar Christus en naar elkaar in onze geloofsgemeenschap. Amen