LogoAdVanDerHelm

kaarsjes

Verkondiging 17 januari 2021, 2e zondag door het jaar

Lezingen
1 Samuël 3, 3b-10.19
Psalm 40
1 Korinthe 6, 13c-15ª, 17-21
Johannes 1, 35-42

Welkom
Welkom bij dit feest van onze patrones Agnes. Komende donderdag 21 januari is haar gedachtenis. Zij verbindt ons met de kerk van Rome, met de tijd van de verborgen christenen. Die verborgenheid was geen zwakte, integendeel. Agnes is een krachtig voorbeeld van trouw en eigenzinnigheid. Die kracht komt voort uit het besef geroepen te zijn door de Lieve God zelf. Net als Samuël kunnen we het ons dit niet voorstellen en ontlopen we de roepstem. We redeneren die weg. We willen immers niet buitengewoon zijn. We willen meedoen met de grote stroom, niet opvallen, niet bijzonder zijn. Toch heeft het doopsel ons al apart gezet! Het heeft ons al gereserveerd voor Gods eeuwigheid. Geeft dat niet een basis van vertrouwen? God voedt ons iedere dag. Zo ook vandaag. Zoals Agnes haar reinheid en maagdelijkheid, of wel de oorspronkelijke kracht van haar geloof bewaarde, zo mogen wij ons ons toevertrouwen aan een geloof dat ons weer als kinderen van God maakt. Dat betekent niet kinderlijk zijn, maar net als kinderen beseffen wat we wel kunnen begrijpen en ook accepteren dat we veel niet kunnen begrijpen. Voor dat laatste vertrouwen we op de dragende handen van onze God die als een vader en moeder ons leven geeft, iedere dag totdat wij een keer thuis mogen komen. Bidden wij om ontferming en vergeving.

Homilie
Broeders en zusters, vrienden van de Heer,
Geloven is niet stilzitten. Geloven is in beweging komen. In deze eerste ontmoetingen met Jezus en zijn eerste leerlingen, waarover we lezen in het evangelie volgens Johannes vandaag, is veel beweging. Het is een beweging van Johannes die op Jezus wijst. Het zijn leerlingen die van Johannes overstappen naar Jezus. Het zijn leerlingen die op zoek zijn en met Jezus op pad gaan op weg naar zijn verblijf. Het zijn broers die elkaar het verhaal van de Messias vertellen. Er zijn vragen die niet meteen beantwoord worden, het zijn vragen die een leven lang duren.

Deze beweging is typerend voor het hele evangelie. Jezus vestigt zich aanvankelijk in Kafarnaüm, maar kiest uiteindelijk voor een rondtrekkend bestaan, een beweging van het Galilea der heidenen naar het Jeruzalem van de tempel. Deze reis is een symbool van voortdurende openbaring. Telkens opnieuw horen de leerlingen nieuwe dingen over God. Zij zien dingen gebeuren die ze niet voor mogelijk hielden. Zij gaan meer en meer beseffen dat in Jezus een Geest aanwezig is, een heilige Geest die krachtig maakt. Zij gaan ontdekken dat Jezus in een relatie met God zelf staat die ze langzamerhand als het Zoon-schap gaan betitelen. Een gelijkenis, meer dan dat: een aanwezigheid: “Wie Mij ziet, ziet de Vader”, klinkt het later in het Johannes evangelie. Meer dan de andere evangeliën neemt dat van Johannes ons mee naar de binnenkant van Jezus zelf, zijn identiteit. Deze kan niet losgezien worden van de Vader. Ook dat is een beweging: van buiten naar binnen: aanvankelijk wordt Jezus herkend door zijn uiterlijk en door zijn woorden en daden, later wordt Hij herkend door zijn innerlijk, doordat Hij de Vader present stelt.

Die ontdekking gaat stapsgewijs en met horten en stoten. Want wanneer Jezus later aan het kruis hangt, is dat besef volkomen weg: wie kan het lijden in overeenstemming brengen met de liefde van de Vader? Wie kan de beelden, nu dit weekeinde weer van de aardbeving op Sulawesi, of de aanslagen in Kaboel, in overeenstemming brengen met de liefde van de Vader? Maar daar ligt juist wel een koppeling: God zelf kent het lijden! Zijn Zoon heeft dit lijden ondergaan. God kent dezelfde machteloosheid en verlatenheid als wij die kennen. Wij als gelovige mensen, of mensen die proberen te geloven, worden net als anderen geconfronteerd met lijden. Is het niet het lijden van jezelf dan wel dat van anderen, dat van slachtoffers van oorlogen en van menselijk geweld, maar ook van slachtoffers van natuurrampen en ziekten. Te midden van al dat geweld en die pijn, te midden van die verlatenheid, klinkt de vraag: “Heer, waar houdt u verblijf. Heer waar bent u?” Wie van ons heeft dat nooit uitgeroepen? Het is de eerste vraag van de leerlingen als antwoord op die eerste vraag van Jezus: “Wat verlang je?“ Het antwoord van die leerlingen die in hun wedervraag klinkt, is: “Heer, wil ons niet verlaten.”

En dan begint een avontuur dat een leven lang duurt en dat hen in beweging brengt. Behalve Jacobus is geen van de apostelen uiteindelijk gestorven in Israël zelf. Zij zijn allen de wereld in getrokken als boodschappers. Ook Simon kwam in beweging en hij kreeg een nieuwe naam, Kefas, Petrus, de rots. Maar ook die rots bleef niet stil liggen, maar kwam in beweging. Van Jeruzalem, naar Antiochië tot in Rome.

Eigenlijk dragen we allen die naam. Laten we daarom die naam Kefas op onszelf toepassen. Dat is in ieder geval wat Christus van ons vraagt, dat is wat de kerk van ons vraagt, zoals God van Samuël vroeg een rots te zijn. “Ja, maar kan ik dat wel? Ik voel me niet zo sterk!” zult u zeggen. Maar als we naar het leven van Petrus kijken, mogen we ons aan hem optrekken. Ook hij was niet altijd zo sterk als zijn naam zou suggereren. Laten we die naam Kefas dus ook voor ons bewaren. Voor elkaar een rots zijn, voor je vrienden, maar ook voor de kerk, maar ook voor de mensen die we ontmoeten. Niet om als een kei stil te blijven liggen, maar om als een basis te zijn waar anderen op kunnen bouwen, om mensen nabij te zijn op hun levensweg. Dan brengt die weg ons uiteindelijk bij de Vader zelf die op ons wacht. Amen

Verkondiging 10 januari 2021, Doopsel des Heren, 1e zondag door het jaar

Lezingen
Jesaja 55, 1-11
Tussenzang: Jesaja 12
1 Johannes 5, 1-9
Marcus 1, 7-11

Welkom
Welkom bij dit feest van onze doop. We lezen hoe Jezus ons is voorgegaan door de doop. Hij is een grensganger gebleken, die grenzen heeft geopend en een nieuwe wereld zichtbaar maakt. Het koninkrijk dat Hij verkondigt, wordt zichtbaar in de doop: een open hemel die tot de aarde spreekt, mensen die de stem van God verstaan. Jezus verkondigt God de Vader, die naar mensen toe komt. Dat komen van God is de heilige Geest die mensen vervult. Laten we ons vandaag realiseren dat wij ook gedoopt zijn en de hemelse stem van Gods liefde in ons meedragen.

Homilie
Broeders en zusters, vrienden van de Heer,
Grenzen zijn gesloten. Reizen is aan banden gelegd. We kunnen ons niet zomaar verplaatsen naar andere landen voor vakantie of werk. Al maanden kan ik niet naar België; dat ging alleen via de digitale snelweg. We leven vanwege de maatregelen in een gesloten samenleving. Het leven is aan banden gelegd. Dat is nodig vanwege de gezondheid en omwille van de gezondheidszorg die we niet willen overbelasten. Dat is geen prettige manier van leven. We zijn het ook helemaal ontwend: alles was toch mogelijk? Het menselijk leven was toch bijna onbegrensd geworden? Het is moeilijk om toe te geven dat we als mensen onze meerdere moeten erkennen in een virus. Natuurlijk is er perspectief op genezing en bevrijding, maar het zal nog even duren.

Ons antwoord als gelovige mensen is dat we ondanks de beperkingen toch met een open hemel leven. Dat is nu net de betekenis van het doopsel. Het brengt ons aardse leven in verbinding met de hemel, in verbinding met Gods oneindigheid. De viering van het doopsel van Jezus gaat over grenzen die open zijn gegaan. In de vele afbeeldingen die we kennen van de afdaling van Jezus in de Jordaan, zien we dat de hemel open gaat en dat Gods Geest zichtbaar wordt. De heilige Geest neemt als het ware zijn intrek in deze mens. In Christus mogen we God zelf gaan herkennen. Hij is de geliefde Zoon. Hij is de verbinding tussen hemel en aarde. Hij herstelt de relatie tussen God en mens.

Het heeft tot de verleidelijke gedachte geleid dat Jezus van Nazareth pas bij de doop tot Zoon van God verheven werd. Het is de stroming van de adoptionisme, waarbij gedacht wordt dat Jezus bij zijn doop als het ware door God de Vader geadopteerd wordt als zijn goddelijke Zoon. Na lange theologische discussies werd aan het verhaal van de de evangelist Lucas de voorkeur gegeven. Daar staat dat dit Kind al in de schoot van zijn moeder Maria de Zoon van God is. Hij wordt als zodanig erkend door Johannes de Doper nog in de schoot van zijn moeder Elisabeth. Dat Johannes hem nu opnieuw herkent bij de Jordaan, is dus logisch.

Niet alleen de hemel gaat open boven het hoofd van Jezus, maar de Jordaan heeft ook zijn afschrikwekkende rol als grensrivier afgelegd. De Jordaan was een nieuwe barrière voor het volk om het beloofde land te betreden. U kent het verhaal: na veertig jaar woestijn, na de bevrijding uit het slavenhuis van Egypte met de doortocht door de Rode Zee, stond het volk, na de dood van Mozes voor een nieuwe uitdaging. Mozes had het land zien liggen, maar kon het niet bereiken. Jozua, de naam die hetzelfde betekent als naam Jezus, brengt het volk over deze grensrivier en maakt de weg vrij voor het volk om zich in het beloofde land te vestigen.

Zo is de doop onze overgang naar het beloofde land. De grensrivieren van ons leven hebben niet het laatste woord over ons bestaan. Er kunnen allerlei beperkingen en grenzen in ons leven optreden, ons doopsel vertelt ons dat we nooit aan die relatie met de oneindig liefhebbende God hoeven te twijfelen. Dat is soms gemakkelijker gezegd dan gedaan. Ik weet ook situaties waarbij iemand er niet uit komt en zich toch opgesloten voelt.

Daarom is het goed om vandaag daarbij stil te staan en de kracht van ons doopsel weer onder woorden te brengen. Het doopsel heeft ons geopend voor de realiteit van Gods liefde in ons leven. Die wordt niet wegenomen door maatregelen van een lockdown of reisbeperkingen. Ons doopsel grijpt al vooruit naar een wereld die ook door de profeet Jesaja wordt aangeduid: een grenzeloze bron is open gemaakt, dit wordt gesymboliseerd in het gratis voedsel dat verstrekt word: God is immers ons voedsel. Het doopsel heeft ons toegang gegeven tot de tafel van Christus, waar Hij ons voedt. We willen die bron van leven en liefde niet vergeten. Ondanks alle beperkingen blijft die bron overvloedig en krachtig. We kunnen elkaar daarin bemoedigen: die hemel blijft altijd open en Gods liefde blijft onbegrensd. Amen

Verkondiging 3 januari 2020, Openbaring des Heren

Lezingen
Jesaja 60, 1-6
Psalm 72
Efeziërs 3, 2-3a.5-6
Mattheüs 2, 1-12

Welkom aan u allen,
Snel na Kerstmis volgt dit jaar Driekoningen, ofwel de Openbaring des Heren: het moment dat het Kind aan de volkeren bekend wordt gemaakt. Na de Joodse herders is het de beurt aan de vreemde en verre volkeren om het Kind te aanbidden. Niemand wordt uitgezonderd van de boodschap van Licht. Laten wij niet alleen naar het kind kijken, maar ook omkijken en zien wie nog meer naar het Kind is komen kijken. We ontdekken dan een bonte groep aan christenen. Ook christenen uit vele verschillende landen hebben zich hier gevestigd. Laten we blij zijn met die grote verscheidenheid aan mensen die op weg gegaan zijn om dit Kind te leren kennen en laten we als katholieken blijven spreken over dit Kind dat ons leven in beweging heeft gebracht.

Homilie
Broeders en zusters, vrienden van de Heer,
Het feest van Driekoningen ofwel Epifanie, ‘Godsverschijning’, is een feest van reizen, beweging. Vroeger vonden wij het als kinderen prachtig om de wijzen van de kerststal letterlijk uit het Oosten te laten komen en ze dagelijks een stukje verder te zetten in de huiskamer om ze uiteindelijk op deze dag in de stal van Bethlehem te laten aankomen. Het kerstfeest kon dus niet compleet zijn zonder deze wijzen met hun iconische kameel, beladen met geschenken. Daarmee waarderen we het ook dat voor de Oosterse christenen deze feestdag het eigenlijke Kerstfeest is. In de orthodoxe wereld ligt het accent op de openbaring van het Christuskind aan alle volkeren.

Dat de wijzen uit het Oosten komen, symbolisch uit de drie bekende werelddelen, alle verschillende groepen van de mensheid vertegenwoordigend, verwijst naar de eenheid van de mensheid die uit Gods hand komt; een eenheid die alle diversiteit en onderscheidingen overstijgt. Herodes komt niet in beweging: hij wil zijn troon niet in de steek laten. Hij zit vast in de gedachte dat zijn macht en de stabiliteit gebaat zijn bij een hoge vaste troon in een machtig paleis. De wijzen die op weg gaan en die door het licht van de ster geleid worden en die met grote vreugde op reis gaan, ontdekken, dat het ware koningschap te vinden is in dit Kind, dat uitnodigend mensen ontvangt die bereid zijn om in beweging te komen. Het is niet te vinden bij Herodes en de angstige stad Jeruzalem.

Het reizen zit de gelovige in het bloed. Dat leren we natuurlijk al van Israël dat gevlucht is uit Egypte en op reis gaat naar het beloofde land. Een tocht die veertig jaar duurt. Een woestijntocht waarbij het geloof wordt gevormd, het volk tot eenheid wordt gesmeed, waar het gemopper uiteindelijk overstemd wordt door Gods liefdevolle leiding. Waar Mozes uiteindelijk het volk brengt waar het moet zijn om een nieuw bestaan op te bouwen.

Christus zelf geeft ook een voorbeeld van beweging. Hij trekt rond om de mensen het evangelie te verkondigen. Eerst in Galilea en soms tot over de grenzen van het land en uiteindelijk komt hij in Jeruzalem. Telkens wordt opnieuw duidelijk bij ontmoetingen op zijn tocht naar Jeruzalem dat Hij God als Vader openbaart, die leven geeft, die ons leert te vergeven. Dat is een God die naar mensen toe komt en die hen met een roeping uitnodigt om actief het leven in te gaan en dus zelf ook in beweging te komen. Die beweging van Christus is al op gang gekomen bij zijn geboorte: zijn geboorte betekent het komen van God naar de mens. Dat komen vanuit de eeuwigheid naar onze tijdelijkheid betekent het overbruggen van grenzen die onoverbrugbaar lijken: want hoe kunnen Gods wereld van het eeuwige Licht en onze wereld van tijdelijkheid samen gaan? Het duidt aan dat God er alles aan gelegen is om bij de mensen te zijn, om af te dalen naar ons leven, al is het in de verst weg gelegen periferie: de kribbe van Bethlehem betekent dat God de uithoeken van de mensheid heeft uitverkoren om te vervullen van het Licht.

Wat is ons antwoord op die beweging van God naar ons toe? De wijzen zijn op zijn Licht afgekomen en zijn daardoor herboren. Zij zijn herboren als kinderen van God. Zij waren mensen van de wereld, mensen die met beide benen in de maatschappij staan. Toch zijn zij opnieuw geboren als kinderen van God. Dat vermogen heeft dit Kind volgens het Johannes evangelie: het laat ook ons opnieuw geboren worden als kinderen van God. Ieder kerstfeest is een herinnering aan die beweging die we zelf doormaken: om Kind van God te worden ontvangen we steeds opnieuw zijn licht en zijn vrede.

Een beweging van het evangelie is dus niet bedoeld om verre steden en landen te bezoeken. Dat is toerisme. Maar het gaat om de beweging die onszelf verandert. Dat is een kracht die ons verder brengt, een kracht die gevoed wordt door het Woord van God zelf. Als wij blijven lezen in de oude verhalen van het Evangelie groeien wij als gelovige mensen, blijven we geestelijk in beweging. We kunnen op onze beurt ook anderen voeden en anderen doen groeien in geloof. De wijzen zijn niet alleen maar voor zichzelf op pad gegaan. Zij zijn teruggekeerd naar waar zij vandaan kwamen en hebben van dit Kind verteld. Zij hebben anderen deelgenoot gemaakt van de boodschap van God die naar mensen toekomt en die mensen in beweging brengt. Mogen wij in hun voetsporen gaan om van dit Kind te blijven vertellen. Amen.